Sint Philomena



De heilige Philomena, de Wonderdoenster van de 19de eeuw, (288 - Rome, 302) is als martelares gestorven op 14-jarige leeftijd.

In de 18e en 19e eeuw werd er actief gezocht naar graven van onbekende christelijke martelaren in de Romeinse katakomben. In 1802 deed men in de katakomben van de H. Priscilla in Rome een bijzondere ontdekking. Een medewerker van de opgravingen vond een loculus, een grafnis, afgedicht met drie gebakken tegels met daarop het opschrift LUMENA PAXTE CUM FI. De volgorde van de tegels was duidelijk verkeerd. De juiste tekst luidt PAX TECUM FILUMENA, Vrede zij met jou, Filumena. Rond de naam waren ankers, een speer, pijlen en palmtakken afgebeeld. Die laatsten wijzen op een martelaar, en volgens de toen geldende regels werd om die reden de opgraving stilgelegd, en werd de custos reliquiarum, de bewaarder van de relieken van het vicariaat van Rome, gewaarschuwd. Dat was in die tijd een zekere monseigneur Ponzetti. De volgende dag werd de loculus geopend door de opzichter van de opgravingen, en werd er het gebeente van een jong meisje aangetroffen, en daarnaast een glazen flesje met (waarschijnlijk) bloed. Het was in die tijd gebruikelijk dergelijke gebeenten van onbekende Romeinse martelaren te bergen en in kerken ter verering onder een altaar te leggen. Ook werden dergelijke gebeenten dikwijls ten geschenke gegeven aan kerken in het buitenland. Veel van die zogenaamde 'katakombenheiligen' zijn nu nog terug te vinden in vooral barokke kerken in midden-Europa. Het gebeente van Filumena werd naar Mugnano del Cardinale in de buurt van Napels overgebracht en er werden haar talrijke mirakels toegeschreven, zoals genezingen van kanker en van de meest verscheidene wonden. Zo kon het gebeuren dat deze martelares - van wie verder helemaal niets bekend was - een zeer populaire heilige werd (denk alleen al aan de duizenden meisjes die naar haar werden vernoemd.) Vooral in Frankrijk, Amerika en Zuid-Italiƫ werd zij een echte volksheilige. Haar verering kreeg helemaal een enorme duw in de rug toen de populaire heilige Pastoor van Ars haar verering actief bevorderde en verschillende wonderen toeschreef aan haar voorspraak.

Aan het einde van de negentiende eeuw ontstond er twijfel over de authenticiteit van het gevonden gebeente. Ging het hier wel om een martelares? Dateerde het gebeente misschien niet van na de christenvervolgingen? Waarom waren de tegels die de loculus afdekten in de verkeerde volgorde ingemetseld? Bevatte het gevonden flesje nu bloed of parfum? Deze vragen, voor het eerst gesteld door Orazio Marucchi, lokten een controverse uit die tot op de dag van vandaag voortduurt. Voor- en tegenstanders van de cultus gaan soms bijzonder fel tegen elkaar te keer, maar tot nu toe zijn er geen doorslaggevende bewijzen gevonden, noch voor het ene, noch voor het andere standpunt.

In 1961 werd, bij een aanpassing van de Calendarium Romanum, besloten om het feest van de heilige Filomena van alle kalenders af te voeren. Dit was een zeldzaam streng besluit, maar het valt wel te verklaren uit de tijdsgeest die in die dagen heerste. De kerkelijke overheid schurkte zo dicht mogelijk tegen de vooruitgangsgedachte aan, en voelde zich in verlegenheid gebracht door een in haar ogen obscure heilige. Dit besluit betekende echter niet dat de devotie verboden of afgeschaft werd: er was immers geenszins bewezen dat het gevonden gebeente niet van een heilige martelares was geweest. Alleen de eigen liturgische viering van de heilige Philomena werd onmogelijk gemaakt. Die was trouwens altijd al beperkt geweest tot een klein aantal plaatsen en bisdommen. Haar heiligdom bleef dan ook gewoon open, en bovendien onverminderd populair.

In Zuid-Italiƫ wordt Filomena nog even druk vereerd als altijd. Rond haar feestdag, op 11 augustus, zijn er in Mugnano del Cardinale grote volksfeesten, waarbij de straten voor de processie versierd worden met honderden verlichte erebogen. Verder is Filomena ook in Frankrijk en vooral in Noord-Amerika een populaire volksheilige.

Zij wordt vereerd als patroonheilige van toekomstige moeders, gefolterden en gevangenen.

Wikipedia